Rudolf de Mepsche was heer van Bijma tot Faan, deze titel erfde
hij van zijn moeder.
Zijn huwelijksinschrijving bevat de volgende tekst:
De H.E.G.Hr.MijnHeer Rudolph De Mepsche,Hr.v.Bijma tot Faan
cop De H.E.G.JuffMejuffer Susanna Elijsabeth Alberda,Juffr.v.SN
Deze Rudolf heeft de geschiedenisboeken ook gehaald, evenals zijn
beruchte voorouder Johan de Mepsche, de ketterjager. De vrije
internet-encyclopedie Wikipedia schrijft het volgende:
Rudolf de Mepsche (1695 – 1754) (ook genoemd: De Mepsche van Faan)
was een Groninger jonker. Hij was heer van Faan, later ook drost
van Westerwolde. Hij is vooral bekend geworden vanwege de
aanklachten wegens sodomie tegen een grote groep mannen in zijn
rechtsgebied
Rudolf verkreeg door erfenis de borgen Bijma en Bloemersma in het
Westerkwartier. De ‘macht’ in die streek lag tot dan toe
voornamelijk bij het geslacht Clant dat woonde op de Hanckemaborg
bij Zuidhorn. Door Clant werd Rudolf gezien als een ongewenste
indringer
Sodomie
In 1730 vonden in Utrecht een aantal arrestaties plaats wegens
sodomie. Dit was aanleiding tot veel rumoer, waarbij sodomie in de
Calvinistische leer van die tijd als zeer verwerpelijk werd
gezien. Overigens bestond er geen eenduidige definitie over wat
als sodomie betiteld moest worden.
De dominee van Faan, Niekerk en Oldekerk in die tijd, H.C. van
Bijler liet zich niet onbetuigd in het debat. Hij schreef een
pamflet: ‘ Helsche Boosheyt of grouwelijcke sonde van Sodomie’ dat
door De Mepsche nauwgezet werd gelezen.
Het is niet zeker of De Mepsche handelde uit overtuiging dan wel
uit berekening, feit is wel dat hij vervolgens overging tot het
arresteren van een grote groep mannen die hij verdacht van
sodomie. Daaronder bevonden zich een aantal mannen die bekend
stonden als aanhangers van Clant.
Omdat De Mepsche grietman was voor de streek stond Clant echter
machteloos. Hij moest lijdzaam toezien hoe De Mepsche op barbaarse
wijze de mannen vervolgde en via afgedwongen bekentenissen ook tot
zeer veel veroordelingen kwam. Tegen die veroordelingen stond geen
hoger beroep open. Uiteindelijk werden er 22 doodvonnissen
uitgesproken en uitgevoerd door wurging tijdens een openbare
executie in Zuidhorn. Twee personen waren al door marteling (een
op de pijnbank) bezweken. Alle 22 lijken werden oneervol verbrand
in plaats van begraven. De jongste gewurgde jongen was slechts
vijftien. Twee veertienjarige jongens werden als minderjarig
beschouwd maar wel schuldig bevonden; ze moesten de executies
aanzien en verdwenen voor de rest van hun leven in tuchthuizen.
De vraag in hoeverre er sprake was van een wijdverbreide praktijk
van sodomie of homoseksualiteit valt aan de hand van het proces
niet te beantwoorden. De waarde van de bekentenissen is gezien de
toegepaste dwangmiddelen uiteraard gering. Dat seksuele contacten
tussen mannen ook in het Faanse niet ongewoon waren is wellicht
aannemelijk.
Het was in de achttiende eeuw gebruikelijk dat de kosten van een
procedure voor rekening van de veroordeelden kwam, bij een
doodvonnis voor rekening van de erfgenamen. Het optreden van De
Mepsche had echter tot zeer veel protest geleid. Zijn politieke
tegenstanders maakten daarvan gebruik door bezwaren in te dienen
bij de Landdag in Groningen. Zij wisten die procedure dusdanig te
rekken dat De Mepsche financieel in de problemen kwam en
uiteindelijk failliet ging.
De Mepsche werd van de ondergang gered door Willem IV. Rudolf had
als een van de weinigen in Groningen uitdrukkelijk de Oranjepartij
gekozen. Toen Willem IV in 1748 tot stadhouder werd verheven werd
De Mepsche beloond met het drostambt van Westerwolde. De Mepsche
stierf op de Wedderborg in 1754.
De sodomieaffaire heeft een diepe indruk achtergelaten op de
bevolking van het Westerkwartier. De verhalen rond de wandaden
doen tot op vandaag de ronde. De naam De Mepsche van Faan geeft
bij menige Groninger nog koude rillingen.
Peter de Mepsche was Raadsheer te Groningen, hij bezat o.a. de
Euckema en Ailckema borg. Zijn zoon Rudolph verkocht het
‘Aylkuma’-goed in 1727 met schuur, hovinge, geboomte, grachten,
etc..
Akte van schenking door Aswerus Aldringa aan Geertruida Aldringa,
weduwe van Peter de Mepsche, van de borg Bima te Faan en alle
daaraan verbonden rechten en 77 grazen land, die op haar beurt
hetzelfde schenkt aan haar zoon Rudolf de Mepsche, 1712
(1712.02.18)